Robijn

De robijn dankt zijn naam aan de rode kleur ( Latijn 'rubens' ). Pas rond 1800 ontdekte men dat robijn samen met saffier tot de korundgroep behoort. Daarvoor noemde men de rode spinel en de granaat ook wel robijn, en alle drie werden als karbonkelsteen genoemd.
De rode kleur is op de verschillende vindplaatsen in het algemeen iets verschillend. Deze verschillen zijn echter niet geschikt het land van herkomst van de stenen te bepalen, want bij elke afzetting komen variaties in kleur voor. De benaming 'Birmarobijn' of 'Siamrobijn' is derhalve misleidend en kan beter worden beschouwd als een kwaliteitsaanduiding. Het meest begeerd is de zogenaamde duivenbloedkleur, zuiver rood met een lichte blauwe zweem. De kleurverdeling is vaak ongelijk, strepig of vlekkig. De kleurgevende stof is chroom, bij blauwe tinten bovendien ijzer. Door branden krijgen minder fraaie stenen een mooiere kleur.


Ruwe robijnen zien er dof en vettig uit, maar als ze geslepen worden glanzen ze bijna net zo als diamant.
Robijn is na diamant het hardste mineraal, al is het ook slechts X,o maal zo hard; robijn is echter zeven keer zo hard als topaas, het volgende mineraal op de schaal van Mohs. De hardheid is in afzonderlijke richtingen duidelijk verschillend. De edelsteenslijper weet hiervan mee te praten.
Hoewel de robijn geen splijting heeft, is hij echter wel in bepaalde richtingen te delen. Door de brosheid is voorzichtigheid geboden bij slijpen en zetten.
Er komen veel insluitsels voor. Ze betekenen geen kwaliteitsvermindering, maar vormen daarentegen een garantie van echtheid van natuurlijke robijnen tegenover synthetische stenen. De aard van de insluitsels (vreemde mineralen, spanningspleten, groeistructuren, kanaaltjes of andere holten) vormen vaak aanwijzingen voor de vindplaats.
Ingesloten rutielnaaldjes veroorzaken of een zachte glans (zijdeglans) of, bij het juiste cabochonslijpsel, het kattenoogeffect en ook het zeer gewaardeerde asterisme met een zesstralige ster, die bij het bewegen van de steen over het oppervlak glijdt.
Afzettingen Ruby
Het moedergesteente van robijn is gedolomitiseerd marmer, gneis en amfiboliet. Het robijngehalte van dergelijke afzettingen is voor een economische exploitatie te gering. De winning van robijnen heeft dus meer plaats op alluviale afzettingen. Door het grote soortelijke gewicht worden de robijnen door het wassen van riviergrind, zand en lemig verweringsmateriaal tot een bepaalde graad geconcentreerd en vervolgens met de hand uitgezocht.
Deze productiemethoden zijn net zo primitief als honderden jaren geleden. Bij staatsmijnen komt machinale ontginning niet veel voor, maar dit gebeurt wel veel vaker bij particuliere ondernemingen. Er zijn echter enkele staatsmijnen (bijvoorbeeld Mogok in Birma) waar tegenwoordig geavanceerde technische middelen worden ingezet, zowel onder als boven de grond.
De belangrijkste robijn-afzettingen liggen in Birma, Thailand, Sri Lanka en Tanzania.
Sinds eeuwen worden robijn-voorkomens in Opper-Birma in de buurt van Mögok ontgonnen. De robijnvoerende laag ligt enkele meters onder het oppervlak. Slechts 1 procent van de productie is geschikt als sieraad. De slijpbare stenen zijn duivenbloedkleurig, dit zijn de meest waardevolle robijnen die er zijn. Grote stenen zijn echter zeldzaam. Begeleidende mineralen, vaak in edelsteenkwaliteit, zijn beryl, chrysoberyl, granaat, maansteen, saffier, spinel, topaas, toermalijn en zirkoon.


De Thaise robijnen hebben meestal een zweem naar bruin of violet. Ze worden ten zuidoosten van Bangkok gewonnen in het district Chanthaburi uit kleiig puin. De schachten zijn tot 8 m diep.
In Sri Lanka liggen de afzettingen in het zuidwesten van het eiland in het gebied Ratnapura. De robijnen uit deze afzettingen (door de plaatselijke bevolking 'illam' genoemd) zijn overwegend lichtrood tot framboosrood. Daarnaast worden hier ook robijnen gevonden in stromend water uit grind en zand van het rivierbed.
Sinds de jaren vijftig wordt in Noord-Tanzania een fraai, groen gesteente, een zoisietgesteente (anyoliet), gewonnen met behoorlijk grote, zij het meestal ondoorzichtige robijnen, die overwegend als decoratieve stenen worden benut, omdat de robijnkristallen zelden transparant en slijpwaardig zijn. In de bovenloop van de Umba-rivier in het noordoosten van het land komen daarentegen robijnen van edelsteenkwaliteit voor. Ze hebben een violette tot bruinrode kleur.
Afzettingen van mindere betekenis komen voor in Afghanistan, Australië (Queensland, Nieuw-Zuid-Wales), Brazilië, Cambodja, India, Kenia, Madagascar, Malawi, Nepal, Pakistan, Zimbabwe, de VS (Montana, Noord-Carolina) en Viemam.
Kleine robijnafzettingen komen ook voor in Zwitserland (Tessin), in Noorwegen en aan de zuidwestkust van Groenland.


Beroemde robijnen
De robijn is een van de duurste edelstenen. Grote robijnen zijn zeldzamer dan vergelijkbare diamanten. De grootste slijpwaardige robijn woog 400 kt; hij werd gevonden in Birma en is in drie delen gespleten.
Beroemde stenen van een uitgelezen schoonheid zijn Edward's Ruby (167 kt) in het British Museum of Natural History in Londen, de Reeves-sterrobijn (138,7 kt) in het Smithsonian Institution in Washington, de De Long-sterrobijn (100 kt) in het American Museum of Natural History in New York en de Vredesrobijn (Peace Ruby, 43 kt), zo genoemd omdat hij gevonden werd in 1919, dus aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Talrijke robijnen vormen de glansstukken in de kroningsinsignes en andere sieraden van vorstenhuizen. De St. Wenzeiskroon (Praag)bevat bijvoorbeeld een ruwe robijn van 250 kt.
Veel edelstenen, die als robijnen werden beschouwd, bleken bij nader onderzoek echter andere edelstenen te zijn, zoals de 'Black Prince's Ruby', de robijn van de Zwarte Prins in de Engelse kroon (blz. 9) en de 'Timor Ruby' in een halsketting van de Engelse kroonjuwelen. Ook de druppelvormige edelstenen in de Wittelsbacher kroon uit 1830 gingen door voor robijnen.
Tegenwoordig worden robijnen meestal geslepen in de landen van oorsprong. In feite zijn dit allemaal spinellen.
Bewerking
Tegenwoordig worden robijnen meestal in het land van herkomst geslepen. Omdat men er hier naar streeft een zo groot mogelijk gewicht te behouden, zijn de proporties niet altijd bevredigend. Om deze reden worden veel stenen in Europese slijperijen opnieuw geslepen. Doorzichtige kwaliteiten krijgen een ttappenof briljantslijpsel, minder transparante stenen een cabochonslijpselof worden tot sculpturen bewerkt. Voor klokken en als lagerstenen, eens van grote betekenis in de techniek, worden tegenwoordig alleen nog synthetische robijnen gebruikt.

Sinds het begin van deze eeuw bestaan er synthetische robijnen van edelsteenkwaliteit , die in chemische, fysische en vooral ook in optische eigenschappen gelijk zijn aan natuurlijke robijnen. Ze zijn echter te herkennen aan de insluitsels en ook aan het feit dat ze, in tegenstelling tot natuurlijke robijnen, kortgolvig ulttaviolet licht doorlaten.
Er zijn talrijke imitaties op de markt, vooral glas imitaties en doubletten met een granaatbovendeel en een glasbenedendeel, of een bovendeel van een natuurlijke saffIer en benedendeel van synthetische robijn.
Er zijn veel verwarrende benamingen in omloop, bijvoorbeeld balasrobijn (= spinel ), kaaprobijn (= pyroop), siberische robijn (= toermalijn).

Bron van informatie over edelstenen deels gekregen door: Tirions gids van edel-en sierstenen,Jewelry Central, GIA, Particulieren.